‘…… Een architect hoopt op een enorme brand die hele wijken van de stad in de as legt, zodat hij opnieuw kan gaan bouwen. Een kleermaker, een schoenmaker, zij zullen zo slecht mogelijke kleding maken en schoenen waarvan de zolen al na een paar weken versleten zijn. Het gebruik van inferieure materialen verdient de voorkeur. De houdbaarheid van levensmiddelen en conserven wordt kunstmatig kort gehouden. Dit alles om ons, burgers van een kapitalistische maatschappij, te dwingen voortdurend nieuwe dingen aan te schaffen. Het kapitalistische systeem is dus niet gebaseerd op duurzaamheid maar op omloopsnelheid. De tl-buizen hier boven mijn hoofd knipperen omdat ze zo zijn gemaakt dat ze al na een paar maanden de geest geven. Iedereen zal het met mij eens zijn dat een dergelijk systeem tot louter verspilling leidt en de burgers onnodig op kosten jaagt. Deze wereldwijde verspilling zal tenslotte leiden tot uitputting van de energiebronnen op aarde en uiteindelijk tot de ondergang van de wereld’
‘…….Sommige meisjes zagen er als zwervers uit in die kapotte spijkerbroeken’. ‘Dat zijn geen kapotte broeken’ zei Toby. ‘Die kopen ze zo, die worden zo gemaakt.’
Dat ging Kowalski’s begrip te boven. ‘Kapot is kapot’ zij hij. ‘Dan zijn ze zeker heel goedkoop.’ ‘Juist niet ‘ zei Toby. ‘Het zijn exclusieve merkbroeken, duurder dan een gewone spijkerbroek.’ ‘Dus een kapotte broek kost meer dan een hele?’ ‘Het is mode,’ zei Toby. Kowalski verzonk in gepeins. Let’s make things better. Dat klopte dus niet.
Uit: De rode droom / Bernlef / Uitgeverij Querido / 2009
